Raku oorsprong en betekenis

Raku stoken is een van oorsprong Chinees-Koreaanse techniek waarbij het glazuur van een werkstuk (sterk) craqueleert. De craquelé is zwartgekleurd. Eerst wordt een (gebakken) werkstuk geglazuurd. Daarna wordt het in bijvoorbeeld een hout- of gasoven zeer snel tot op een temperatuur van ca. 1000 °C gebracht. Het werkstuk wordt uit de oven gehaald en aan de buitenlucht blootgesteld. Door de snelle afkoeling craqueléert het glazuur. Vervolgens wordt het werkstuk in een zaagselton gelegd. Het zaagsel ontbrandt en veroorzaakt rook. De rook trekt in de craquelé.

nl.wikipedia.org/wiki/Raku

Historische schets
RAKU is een van oorsprong Chinees-Koreaanse techniek van pottenbakken, die in Japan tot grote bloei is gekomen in het laatste kwart van de 16-e eeuw. Het ontstaan ervan is nauw verbonden met de religieuze beleving van de theeceremonie van het Zen-Boeddhisme, waarbinnen de mens probeert invloed te hebben op en inhoud te geven aan de processen van leven en dood.
Volgens de Zen-gedachte is het hoogste schoonheidsgevoel te beleven in eenvoudige niet-perfecte voorwerpen, die de schoonheid van het dagelijks leven symboliseren. De theemeester Sen-no-Rikyu en zijn beschermheer, de strateeg, krijgsheer en politicus Hideyoshi waren samen verantwoordelijk voor de aanstelling van een speciale pottenbakker voor de vervaardiging van theekommen voor de theeceremonie. Chojiro, de zoon van Ameya, een pottenbakker in Kyoto, kreeg in 1525 als eerste de meesterstitel en erenaam RAKU, die als familienaam op de opvolgers overging. De naam is afkomstig van een karakter dat gegraveerd was in een gouden zegelring die Chojiro in 1498 al ontvangen had van de Taiko van de stad.

Het karakter RAKU (in de Chinese betekenis) staat voor: “vrede”, “gemak”, “genot”, “plezier”, “vreugde”, “geluk”. Een tweede betekenis (in het chinees GAKU, in het Japans tanoshi) wordt vertaald als “muziek”. In deze betekenis kan het karakter worden gezien als een trommeltje op een driepoot.

Het woord RAKU is afkomstig van de naam Jurakudai, een paleis van Hideyoshi. De term werd daarna gereserveerd voor keramiek die gebruikt werd in het Jurakudai paleis. De familie die de keramiek produceerde nam de naam RAKU aan.

De theeceremonie werd in Japan ingevoerd in een periode van binnenlandse onlusten en burgeroorlog, wellicht om de mensen tot bezinning te brengen. De ceremonie zelf was ingewikkeld, hoewel ze naar buiten de schijn van eenvoud en simpelheid moest afstralen.

Chawan-1-Thumb

De CHAWAN, theekom, is eenvoudig van vorm, lijkt soms zelfs primitief, maar is daardoor ook vaak geraffineerd. De kommen zijn niet symmetrisch, soms gedraaid, maar vaak handgevormd. Er werd en wordt grote waarde aan toegekend, vandaar dat ze worden opgeborgen in edelhouten kistjes.  In het begin werden Raku-kommen voornamelijk rood of zwart geglazuurd. In de loop der tijd is er door diverse generaties met glazuur geëxperimenteerd.

Het schoonmaken van de kommen, het roeren van de thee door het water, de temperatuur van het water, alles is strikt ritueel voorgeschreven. De ceremonie zelf bestaat uit het wassen van de kommen, het bereiden en het drinken van de thee.

De chawan wordt gevuld met water, gewassen en geleegd in een gelakte urn. Geneeskrachtige thee, geprezen om zijn “appelgroene porseleinkleur” wordt bewaard in potten van jade of ivoor. De thee in poedervorm wordt in de chawan gedaan en het water, “suizend als de wind in de pijnboom”, wordt er over uitgegoten. De thee wordt dan door het water geroerd met een kleine garde van gespleten bamboe. Daarna wordt de thee in drie-en-een-halve teug gedronken met de daarbij behorende geluiden en onder het uitroepen van uitingen van waardering en bewondering.Chawan-2-Thumb

De chawans, behorend bij de theeceremonie worden vaak door de gastheer zelf vervaardigd en gestookt vlak voor de ceremonie en soms tevoren door de gasten zelf gedecoreerd met enkele vegen ijzeroxide in de nog ongebrande glazuur. De voorwerpen worden per stuk in een kleine oven gebakken. Doordat de pottenbakker het voorwerp uitsluitend met de hand opbouwt, kan hij zijn gevoelens direct tot uitdrukking brengen. De klei die hij gebruikt is door zijn overgrootvader gedolbven en onder specifieke condities bewaard. Het gebruik maken van dezelfde techniek betekent niet zomaar het reproduceren van de traditionele vorm. In het Westen worden de chawans ook op de draaischijf gewerkt.
Het is een misverstand en een interpretatiefout van Bernard Leach als hij in zijn boek beschrijft dat het stoken en vervaardigen van de chawans een onderdeel van de ceremonie is.

In Japan hebben meerdere families zich bezig gehouden met het produceren van RAKU. De bekendste familielijn is de lijn die loopt van Ameya en zijn vrouw Teirin. Hun zoon Chojiro kreeg officieel als eerste de titel RAKU in 1525. Het is een lijn die zonder onderbreking is voortgegaan en tot op dit moment wordt voortgezet door KICHIZAEMON XV RAKU in Kyoto.

Een andere familie, die grote bekendheid verwierf in de Raku-traditie is de KENZAN-familie. Ogäta Kenzan (1663-1723) werd de KENZAN I. Zijn familie had nauwe betrekkingen met de RAKU III en IV. De laatste KENZAN van de Tokio-tak was Ogäta Kenzan VI (1853-1923), de leermeester van Bernard Leach. Van hem erfde Bernard Leach de kleuren en recepten en de titel KENZAN VII, die hij deelde met zijn vriend Tomimoto.
Toen Bernard Leach terugkeerde naar St. Ives in Cornwall, introduceerde hij als eerste Europeaan deze bijzondere techniek in Europa en propageerde deze vooral in de periode 1920-1952 in zijn atelier en tijdens excursies. Hij publiceerde de gegevens en techniek van zijn leermeester in zijn in 1940 verschenen A Potter’s Book.

De oven
De Japanse oven is vaak verplaatsbaar en wordt meestal gestookt met houtskool. Meer definitieve gebouwde ovens worden gestookt met hout. Vaak wordt ter bescherming van het product en in verband met een gelijkmatige verwarming en de beheersing gebruik gemaakt van kapsels en/of moffels, die tijdens een continue-stookproces van boven kunnen worden geopend door het wegnemen van een deksel.

De kleisamenstelling
De kleimassa’s die worden gebruikt voor de vervaardiging van de RAKU-keramiek moeten bestand zijn tegen abrupte en heftige temperatuurwisselingen. De kleimassa kan men het beste bereiden van een vuurvaste klei die in hoge percentages wordt vermengd met fijne en grove chamotte. Toevoeging van kwarts, zand en vooral grove chamotte vermindert de krimp en geeft aan de klei massa grotere poriën, waardoor het vrije water gemakkelijker kan ontwijken. Door de openheid van de kleiwand is deze dan ook nog eens beter bestand tegen de thermische schok van snelle verhitting en afkoeling. Ook kunnen aan de klei brandbare materialen worden toegevoegd, die na verbranding de porositeit van de klei vergroten, bijvoorbeeld: koffieprut, houtvezels, rijstkorrels e.d. Al naar gelang de samenstelling van de oorspronkelijke klei kunnen er toevoegingen aan de klei gedaan worden in percentages die kunnen variëren van 10 tot soms wel 50 procent.
Andere en modernere middelen die aan de klei kunnen worden toegevoegd, om de grote spanningen op te vangen zijn: petalite, spodumeen en talk. De beide eerste zijn lithiumhoudende veldspaten. Een toevoeging waarmee ik prima resultaten heb, is vermiculite, een micaproduct, dat ook als isolatiemateriaal door ovenbouwers en bij open-haardconstructies wordt toegepast. Een nadeel is het verlies aan plasticiteit van de klei, een voordeel is de gespikkelde scherf die goede effecten heeft op het glazuur.
Als er een biscuitbrand vooraf plaatsvindt, dan moet die vrij laag gehouden worden, om de scherf zo open mogelijk te doen zijn voor het aanbrengen van de glazuur.

Tjabel Klok

Geef een reactie